Letterkast, leesmachine

on

Het Nationaal Onderwijsmuseum staat deze week in het zonnetje! Meer dan 22.000 museumkaarthouders verkozen ‘De letterkast van P.J. Prinsen’ tot ‘Gouden Pronkstuk’ ter voorbereiding op de Nationale Museumweek. Afgelopen zondag werd op het Statenplein in Dordrecht een interactieve kopie van de letterkast, van zes bij negen meter, feestelijk onthuld. In het museum werd prosecco geschonken en vergaapten genodigden zich aan een prachtig bewerkt origineel exemplaar uit de omvangrijke collectie van het museum. De uitverkiezing van Prinsens letterkast is extra bijzonder, omdat deze precies 200 jaar geleden op de markt werd gebracht. Wat maakt de letterkast zo bijzonder? En wie was meneer Prinsen eigenlijk?

Pieter Johannes Prinsen (1777 – 1854) is vooral bekend als directeur van de Rijkskweekschool in Haarlem. Als directeur van de eerste Rijkskweekschool van Nederland had hij een positie in de voorhoede van de vernieuwingen die begin negentiende eeuw in het onderwijs werden doorgevoerd. Rond 1800 werden verschillende maatregelen getroffen om de kwaliteit te verhogen van de Nederlandse scholen, die internationaal gezien erg achter liepen. Een van die bepalingen richtte zich op het lerarencorps.

In 1806 werd bepaald dat onderwijzers voortaan een bevoegdheid diende te behalen. De verschillende onderwijzersakten waren bedoeld om de vakkennis van leraren te vergroten. Daarnaast deden ‘kwekelingen’ praktijkervaring op in een lagere school. Aanvankelijk konden kandidaatsleraren alleen terecht op de particuliere kweekscholen van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Vanaf 1816 nam ook de overheid zijn verantwoordelijkheid: zo werd de Nutskweekschool in Haarlem overgenomen door het Rijk. Prinsen was zodoende de eerste kweekschooldirecteur die van overheidswege de taak toegewezen kreeg om de ‘leraren van de toekomst’ op te leiden.

Er waren weinig adequate hulpmiddelen voorhanden om leraren hierbij de weg te wijzen. Het methodenonderwijs was hopeloos verouderd en sloot niet aan bij de eisen van de tijd. Prinsen, naast directeur ook bevlogen docent, was een pionier. Hij zocht manieren om de methoden die door zijn kwekelingen werden gebruikt te vernieuwen. Prinsen richtte zich in eerste instantie op het leesonderwijs. Daarnaast had hij interesse in het rekenonderwijs en aardrijkskunde. Voor deze drie vakken schreef hij methodenboeken, die door zijn kwekelingen gebruikt konden worden in hun lespraktijk. Sommige methodenboeken werden begeleid door hulpmiddelen. De letterkast die nu zijn naam draagt, is een van deze hulpmiddelen.

Het oorspronkelijke ontwerp van de letterkast was echter niet van Prinsens hand. J.Ph. Dellebarre, een Franse taalmeester werkzaam in Leiden, had de letterkast in 1797 ontwikkeld als leermiddel om ‘den vreeselyken weg te myden, die men duizenden laat gaan door eene dorre zandzee van letters leeren en spellen, zonder orde en zonder koers, waarin geheele heiren hun verstand, oordeel en zedelyk gevoel verlooren hebben en verstrikt zyn.’ Dellebarre noemde zijn letterkast een ‘leesmachine’. Met dit hulpmiddel leerden kinderen immers versneld – als het ware machinaal – lezen. Doordat de leesmachine voor de klas geplaatst kon worden, werd ook de ‘output’ vergroot: leesonderwijs werd klassikaal, wat een enorme efficiëntieslag bleek op te leveren ten opzichte van het oude, hoofdelijke onderwijs. De leesmachine maakte grote indruk: net als aan ‘echte’ machines werd aan de letterkast magische kwaliteiten toegedicht. Het leek sommigen of het de machine zelf was die kinderen leerde lezen.

Dellebarre’s leesmachine bestond uit een drieluik: links lagen de klinkers, rechts de medeklinkers. In het midden, in het zetraam, konden woorden gevormd worden. Zo werd woordvorming aanschouwelijk gebracht. Prinsen nam afstand van de spelmethode die ten grondslag lag aan Dellebarre’s verdeling tussen klinkers en medeklinkers. Hij omarmde de revolutionaire klankmethode van J.H. Niewold uit 1800. In Niewolds klankmethode stonden niet langer de letters van het alfabet, maar klanken centraal. Kinderen bleken via de klankmethode veel makkelijker letters – of eigenlijk klanken – aan elkaar te kunnen verbinden: lezen werd hierdoor concreter. In Prinsens letterkast liggen links dan ook geen klinkers, maar klanken: ‘o’ en ‘oo’, ‘e’ en ‘ee’, maar ook ‘oe’ en ‘ei’.

De letterkast was een van de hulpmiddelen gekoppeld aan Prinsens leesmethode. Prinsen schreef verder een leesboekje voor kinderen, waarbij hij ook ‘leestafels’ ontwikkelde. Op deze leestafels waren simpele woorden uit het leesboekje vergroot afgedrukt naast een afbeelding van deze woorden. De leestafels konden voor de klas geplaatst worden, zoals later ook de schoolplaten. Verder gebruikte hij letterplankjes, waarop kinderen zelf woorden konden ‘zetten’. De introductie van de aanwijsstok vergemakkelijkte klassikale uitleg. Prinsens methode werd een doorslaand succes en lag daarmee aan de basis van de stroomversnelling van vernieuwing waarin het Nederlandse onderwijs terechtkwam in de negentiende eeuw. Vanaf officiële zijde werd zijn methode al snel als dé methode voor leesonderwijs gepropageerd.

Zoals wel vaker bij zeer populaire onderwijshulpmiddelen, zijn er weinig exemplaren van de leesmachine bewaard gebleven. Het Nationaal Onderwijsmuseum heeft vier letterkasten in zijn bezit. Twee hiervan zijn terug te vinden in het museum. Kom eens langs! Ik, of een van mijn enthousiaste collega’s, vertel je graag meer – over de letterkast van Prinsen of over een van de vele andere pronkstukken in onze collectie.

Bronnen:
P.Th.F.M. Boekholt & E.P. de Booy, Geschiedenis van de school in Nederland. Vanaf de middeleeuwen tot aan de huidige tijd (Van Gorcum: Assen/Maastricht, 1987), pp. 95-111;
Jan Lenders, ‘Van kind tot burger. Lager onderwijs en de vorming tot burgerschap in de negentiende eeuw’, in: Nelleke Bakker, A. Janssens & R. Dekker (eds.), Tot burgerschap en deugd. Volksopvoeding in de negentiende eeuw (Verloren: Hilversum, 2006), 11-34, pp. 25-26; Wiep van der Schoot, Lezen van een plankje (Het Nationaal Schoolmuseum: Rotterdam, 1995), pp. 4-6; http://onderwijsmuseum.nl/collectiestuk/letterkast.

Het citaat van Dellebarre is afkomstig uitJ.Ph. Dellebarre, Voorlopige proeve eener verhandeling om de Nederlandse Jeugd op eene korte en gemakkelyke wyze, de eerste grondbeginselen van ’t Leezen te leeren, voornamelyk door eener nieuwe Typografische Machine, met grote beweegbare druk-letteren; aangezien de ongenoegsaamheid (om dit oogmerk wel te bereiken) der meest gewoone boekjes voor beginnenden (Leiden, 1797), p. 10.

De afbeelding is afkomstig uitH.W. Lintsen (ed.), Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel II. Gezondheid en openbare hygiëne. Waterstaat en infrastructuur. Papier, druk en communicatie (Walburg Pers: Zutphen, 1993), p. 183.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *