Utrecht profileert zich graag als literatuurstad. In 2012 verwelkomt de stad het Literatuurhuis, een fysiek thuis voor de verschillende literaire initiatieven in de stad die zich hier onder één paraplu scharen. De stad kent ook meerdere bijzondere boekhandels: bijvoorbeeld Savannah Bay, een feministisch bolwerk, en Bijleveld, waaraan een kleine uitgeverij is verbonden. Literatuur ligt in Utrecht op straat. Jarenlang werd de reiziger op Utrecht Centraal onthaalt met een tekst uit Het feestelijke leven van C.C.S. Crone: ‘en hoe verder hij ging // des te langer // was zijn terugweg.’ Met de sloop van de Van Sijpesteijnkade verhuist deze uitspraak naar het Jaarbeursplein. Naast meerdere teksten van Crone, zijn op verschillende plaatsen ook gedichten van voormalig stadsdichter Ingmar Heytze op gebouwen in Utrecht terug te vinden. Op de Oudegracht groeit onder regie van het Utrechtse dichtersgilde een oneindig gedicht, een poëtische tijdreis zonder einde. Literatuur om generaties te verbinden met de stad, literatuur die leeft.
Sinds enige tijd heeft een straatdichter zich gevoegd in dit illustere gezelschap. Op verschillende plekken in de stad kan de nieuwsgierige lezer ‘straathaikoes’ aantreffen – al dan niet tijdelijk. Illegale graffiti op pispalen, meterkasten en betonblokken. Veelal in fel groen en rood vraagt hun schepper de lezer even stil te staan en zich te verwonderen: een observatie, een ogenblik, een kort rustpunt vol verbazing. Soms tref je zo’n straathaikoe de ene dag aan en is deze de volgende morgen al niet meer te vinden. De Utrechtse schoonmaakpolitie poetst door. Jammer, maar ergens ook wel mooi: de tijdelijkheid van het medium past bij de dichtvorm. Een haiku is weinig pretentieus. Slechts zeventien lettergrepen groot, verdeeld in drie rijen met een kabbelend ritme: vijf, zeven en weer vijf lettergrepen lang. Een momentopname, zonder ruimte voor achtergrondinformatie of al te veel uitleg. Spitsvormig, maar niet zonder waarde – zoals ook de Utrechtse ‘haikoemeester’ bewijst. Overal in de Utrechtse binnenstad, en soms daarbuiten, duiken zijn scheppingen op.
Mijn eerste straathaikoe lees ik bij mij om de hoek: ‘oefen je leven // niet langer dan nodig is // voor de première.’ Een mooi inzicht: leef je leven. Met lichte tred stap ik door naar mijn première. De Utrechtse straatdichter plaatst zich zelfbewust in een literaire traditie, en niet onverdienstelijk. Het duidelijkste voorbeeld siert de Molenstraat: ‘behalve wij twee // nesten alle vogels al // wat wachten we nog?’ Als mediëvist niet te missen; een haiku-variant op wat ooit ‘de oudste Nederlandse tekst’ heette: ‘hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hic anda thu uuat unbide uue nu’ (‘alle vogels zijn nesten begonnen behalve jij en ik. Waar wachten wij nu op?’).* Mooi. De universiteit is om de hoek. Toeval? Ik speculeer over de identiteit van de straatpoëet. En bedenk dat hij waarschijnlijk om de hoek woont; het ‘universiteitskwartier’, zoals het hier tegenwoordig chique heet, geniet van zijn debuut. Is hij eigenlijk wel één? Het verspringende handschrift spreekt boekdelen.
De straatdichter beweegt mee met de seizoenen. In mijn buurtje vind ik: ‘vuurvliegjes, de maan // in de verte een tuinfeest // nóg is het zomer.’ Op de ruit van de smoezelige, verlaten boekhandel in de Korte Jansstraat tref ik een regenimpressie: ‘hoog rondom de dom // ruist regen naar beneden // het plein tegemoet.’ Waarschijnlijk de bekendste straathaikoe van dit moment overziet de drukke zaterdagmarkt: ‘regen ten leste // gulzig lest de grond haar dorst // en alles groeit door.’ Regen en zonneschijn. Een moment van geluk, even stilstaan bij het weer – hoe Nederlands. Nu dan, de dichter is verliefd! Op de Vondellaan lees ik: ‘zonder zonnebril // zie ik je in je ogen // omhels ik je licht.’ In de buurt van het station staat op een betonblok: ‘verzot verliefd, dus // fruitvliegjes rond mijn meloen // eet u smakelijk.’ Hoe lang nog? Geen idee. Als ik me omdraai, zie ik op Hoog Catharijne ‘burn the village’ in de lichtende letters van Nathan Coley. Ooit eveneens een tijdelijk kunstwerk, maar toch behouden voor de stad. Wie weet.
De universiteit verzamelt voor onderzoek (tijdelijke) straatpoëzie, waaronder ook de haikoes van mijn mysterieuze straatdichter. Utrecht, literatuurstad. Saai en ouderwets? Welnee. Utrecht, waar poëzie op straat ligt. Letterlijk.
Het bijgevoegde beeld is een compilatie van foto’s op #straathaikoe op Instagram.
* Een zesde-eeuws handschrift van de Salische wet geldt momenteel als de bron van de oudste Oudnederlandse tekst. Ook betwisten moderne taalkundigen of ‘hebban olla uogala’ wel Oudnederlands is. Het zou ook een Oudengels dialect of Oudvlaams kunnen zijn, gezien de oorsprong van de tekst – een vertaling van een Latijnse spreuk, bewaard in de marge van een elfde-eeuws handschrift uit Rochester, Kent. Het handschrift bevat verder Ælfrics Catholic Homilies . Zie Oxford, Bodleian Library, MS Bodley 340, f. 169v.